Losse eindjes

Toen ik twee jaar geleden voor het eerst in mijn familiegeschiedenis dook was ik optimistisch ingesteld. Te optimistisch, zoals later zou blijken. Ik dacht namelijk dat alle verhalen over mijn jong overleden Curaçaose/Surinaamse opa zomaar voor het oprapen lagen. Dat het net zoiets was als een radiostation net iets anders afstellen en ik door simpelweg aan een paar knoppen te draaien in contact zou komen met alles wat er zo’n zeventig jaar voor mijn geboorte had afgespeeld. Dat ik na een paar interviews met familieleden en een rondje in de archieven alles te weten zou zijn gekomen, en al mijn vragen voorgoed waren beantwoord.


In het begin leek dat ook zo te zijn. Mijn familieleden waren meer dan bereid me te helpen, en vertelden me alles wat ze nog wisten. Ik reisde het land door, ontving spraakberichten uit Curaçao en New York, kletste met iedereen bij en bekeek familiefoto’s die ik nog niet eerder had gezien.

En zo ontstond er een beeld. Alsof iemand het zwart-wit portret van mijn opa dat al die jaren bij mijn ouders in de woonkamer stond nu had ingekleurd. Zo leerde ik dat mijn opa als oudste zoon al op jonge leeftijd erg verantwoordelijk was, en met geld de deur uit werd gestuurd om eten te halen. Dat hij vloeiend Papiamentu sprak, en daarnaast ook nog Engels, Spaans en een beetje Portugees. Een eigenschap die hem goed van pas kwam tijdens overzeese tochten, waar hij als een echte tolk tussen allerlei mensen kon bemiddelen. Ik leerde dat mijn opa zeebenen had, en dat toen een schip een keer tijdens een storm behoorlijk begon te schommelen, hij keurig rechtop bleef staan met twee glazen in zijn hand. Dat hij als verantwoordelijke vader wilde dat zijn kinderen vooruit wilde komen in het leven, en daarom altijd boeken van de bibliotheek meenam voor zijn kinderen. En ik leerde hoeveel verantwoordelijkheid hij droeg, als oudste zoon, als immigrant in Nederland.

Door al die bijzondere verhalen kwam mijn opa steeds een beetje meer tot leven. Ik kon hem voor me zien als student in Nederland en later als vader van vier zoons. En als loyaal familielid, dat zijn neef hielp met zijn verhuizing op Curaçao.

Maar naarmate mijn zoektocht vorderde, liepen er steeds meer sporen dood. Zoals het spoor dat naar de jeugdvriend van mijn opa liep. Mijn oudtante probeerde wekenlang met hem in contact te komen. Ze kwam hem nog regelmatig tegen op Curaçao, vertelde ze, en dan had hij het soms nog over mijn opa. Maar toen ik uiteindelijk de dochter van die jeugdvriend te spreken kreeg was de boodschap verdrietig: de jeugdvriend van mijn opa had vergevorderde dementie. Hij kon me geen verhalen meer vertellen over vroeger.

Hiermee kwam de realisatie. Mijn opa zou nu dik in de negentig zijn geweest. Bijna al zijn generatiegenoten leefden niet meer. En tel daar nog eens bij op dat mijn opa meer dan vijftig jaar geleden stierf. De verhalen die de mensen nog wel hebben van mijn opa nestelen zich dus al zo’n vijftig jaar in hun hoofden. En laat tijd nou niet het beste conserveermiddel zijn. Zoals meubels kunnen aangetast worden door de tijd, zo is het ook met herinneringen.

Inmiddels ben ik ermee in het reine gekomen dat ik sommige dingen nooit helemaal te weten zal komen. Soms voelt het alsof ik hiermee opnieuw afscheid neem van mijn opa. Tegelijkertijd ben ik ook dankbaar voor de verhalen die ik wél allemaal te horen heb gekregen. En al die losse gaten kan ik natuurlijk wel mooi opvullen met mijn eigenlijk verzinsels. Want dat is het mooie aan een roman schrijven. Uiteindelijk beslis ik wat er in het verhaal komt te staan. En zo loopt eigenlijk geen enkel spoor echt dood.


Antwoord

  1. Michael Krieger Stomp Avatar

    wat mooi!

    Like

Geef een reactie op Michael Krieger Stomp Reactie annuleren